"Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden." God's verbondsbelofte aan Abraham in Genesis 12 vormt samen met Paulus' vermaning aan de Romeinen dat we "geƫnt zijn op Abraham's stam" een belangrijke toetssteen voor de kerk en de volken: eren we God door het Joodse volk (en daarmee onze geestelijke afkomst) te zegenen, of plaatsen we onszelf door dat niet te doen onder een vloek?