Psalm 47

Deze psalm begint met Mozes en eindigt met David. Het begint in Egypte en eindigt in Jeruzalem. Het begint met de Exodus en eindigt met de Tempel.

De verzen 2-5 nemen ons mee vanuit gevangenschap naar het Beloofde Land. De verzen 6-10 nemen ons mee naar de Heilige Stad waar God over de naties regeert. In dit alles leren we hoe we moeten aanbidden: "Juich God toe met jubelzang" (v. 2), "Zing voor God, zing een lied, zing voor onze Koning, zing hem een lied" (v. 7), "… Zing (God) een feestelijk lied" (v. 8).

Hoe komt zulke extravagante aanbidding tot stand? Hoe kunnen wij hetzelfde doen? Laten we naar de tekst kijken. v. 2 Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang: v. 3 geducht is de Heer, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde. v. 4 Volken dwong hij voor ons op de knieen, naties legde hij aan onze voeten. v. 5 Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft.

In de Bijbel zien we, telkens als de poorten van de hemel worden geopend, God als Koning (Jesaja 6:5; Daniel 7:9; Openbaringen 4:2). Dus hier: "Geducht is de Heer, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde" (v. 3).

Maar hoe kom je in Zijn aanwezigheid? Hoe aanbid je zoveel majesteit? Het eenvoudige antwoord is: je geeft je over en zingt voor Hem. Gebruik je handen: "Klap in de handen, o volken…" Schreeuw het uit: "Juich God toe met jubelzang" (v. 2). We letten niet meer op elkaar, maar alleen nog op Hem. En iedereen mag meedoen: "Klap in de handen, o volken." We zijn geschapen om met volle overgave te aanbidden.

Matt Redman schrijft over David, "… hij ging de mensen voor, zichzelf publiekelijk zodanig 'verliezend' in zijn aanbidding voor God en zo in vuur en vlam dat het dwars door enige vorm van trots en terughoudendheid heen brandde. Ware aanbidding heeft zichzelf niet in de gaten." Dan vraagt Matt zich af, "Wordt het niet eens tijd dat we een beetje meer heilige herrie zien in onze aanbidding?" [The Unquenchable Worshipper, p.29.]

Maar waarom op deze extravagante manier? God is onze grote bevrijder. Net als Israel in Egypte, heeft hij ook ons vrijgemaakt uit gevangenschap: "Volken dwong hij voor ons op de knieen, naties legde hij aan onze voeten" (v. 4).

In tegenstelling tot Israel is onze overwinning geen militaire overwinning, maar een geestelijke overwinning. Achter Egypte met al haar afgoden staat Satan met zijn demonen en Jezus verbreekt deze kracht, ons reddend van de "macht van de duisternis" (Kolossenzen 1:13). Maar we zijn niet alleen bevrijd van onze geestelijke "Egypte," zonde, verslaving en het aanbidden van onze eigentijdse afgoden, we hebben ook onze bestemming bereikt, het Beloofde Land: "Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft" (v. 5). Onze erfenis is niet het Heilige Land. Het is "de nieuwe hemel en de nieuwe aarde," waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). We zijn het al gedeeltelijk binnengegaan door Jezus' opstanding en het stempel van de Heilige Geest, het voorschot op onze erfenis (Romeinen 8:11; Efeziers 1:13- 14). Maar we willen niet alleen genieten van onze erfenis; we willen de Koning zien. v. 6

Onder gejuich steeg God omhoog, de Heer steeg op bij hoorngeschal. v. 7 Zing voor God, zing een lied, zing voor onze koning, zing hem een lied: v. 8 God is koning van heel de aarde. Zing een feestelijk lied. v. 9 God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn heilige troon. v. 10 De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Abrahams God. Zijn schildwachten zijn ze op aarde. Hoog is hij verheven.