Zingen en dienen

Na de oproep "wordt vervuld met de Geest", staat meteen ook te lezen waarin dat naar buiten gericht zijn zich concreet uit: namelijk in de lofprijzing en dankzegging voor God (vers 19-20) en in het dienen van elkaar (vers 21). Verticaal en horizontaal. Mooi dat Paulus het zingen voorop zet. In de lofprijzing kun je jezelf verliezen, overgeven. Je neemt elkaar erin mee (letterlijk: "spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen"). Dat samen zingen is tekenend voor hoe je samen leeft binnen de gemeente van Christus: "onderdanig aan elkaar". Daarbij moeten we niet denken aan miezerige figuren die voor een ander door het stof kruipen, maar aan mensen die zich op elkaar richten om samen dat gospelkoor voor God te zijn.

Als mensen in een koor alleen op zichzelf letten wordt het niks. Je gaat elkaar overstemmen, ongelijk zingen, op een andere toon of in een ander tempo. Mensen die vervuld zijn van Gods Geest, letten juist op anderen, om zo sámen God groot te maken. Koorleden zijn er niet op uit als solist te schitteren, maar stellen zichzelf onopvallend ter beschikking. Hun gericht zijn op de ander heeft de kleur van dienstbaarheid. Soms heb ik mensen ontmoet die de indruk maakten meer vol te zijn van hun vervulling met de Geest dan van die Geest zelf. Ze praten graag over hun geestelijke ervaringen, hun geloofsbeleving domineert de gesprekken. Je krijgt het gevoel dat jij altijd maar met hen moet meevoelen en meedenken, terwijl je het zo graag ook eens omgekeerd zou willen. Maar wie vervuld is met de Geest, schuift niet zichzelf naar voren, maar de ander.

Kijk maar naar wat genoemd wordt de vrucht van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, geduld, zachtmoedigheid enz. (Galaten 5:22). Allemaal woorden die het tegenovergestelde laten zien van jezelf laten gelden ten koste van de ander. Tongentaal, gaven van genezing of uitdrijving, prachtig. Dat meen ik. Ik dank God voor de zegen die Hij geeft door mensen die deze gaven hebben ontvangen. Tegelijk zeg ik: hier gáát het niet om. Het gaat om de liefde (1 Corinthiers 13). De vervulling van Gods Geest zie ik allereerst niet in het ongewone, maar in het gewone. In hoe christenen met mensen omgaan. Hoe kan het ook anders, want die Geest is de Geest van Christus! En wie of wat was Christus anders dan liefdevolle dienstbaarheid?

Ruimte maken

Hoe geef je nu gehoor aan die oproep: Wordt vervuld met de Geest? Belangrijk is dan dat er niet staat: vervul je zelf met de Geest. God vult, maar jij moet ruimte maken. Deze gedachte komt ook weer uit die vergelijking met alcohol. "Wordt vervuld met de Geest" is de ene kant van de medaille. De andere kant klinkt in één adem mee: "Bedrinkt u niet aan wijn". Dat kan natuurlijk ook bier zijn of jenever. Maar, behalve drank kan het alles zijn, waar ik me door laat meevoeren, me laat beheersen: geld, seks, macht, werk, sport, je recht, je gelijk & Alles waarmee ik me zo 'vol heb laten lopen', dat er nauwelijks nog ruimte over is voor de Geest van God. Vervuld worden met de Geest is dan ook niet een kwestie van iets te pakken krijgen, maar iets kwijtraken.

Een sprekend beeld vind ik een tot de rand toe gevuld glas water met stenen erin. Je denkt dat het glas vol is, maar zo gauw je er stenen uithaalt, kan er weer water bij. De vraag is alleen: hoe ver durf je daarin te gaan? Wil je het eigenlijk wel? Al die ruimtevullers opdiepen en overboord zetten? Je trots, je hebberigheid, de onreinheid van je ogen en in je gedachten. Je verslaafdheden, je recht en gelijk, je verdwazing van sport of werk. Wij bidden om de Geest, we verlangen naar die vervulling, maar tegelijk koesteren we al die ruimtevullers. We willen én én. Maar bij God is het altijd óf óf. Wie kiest voor én én bedroeft de Geest. Je christenzijn wordt matig en mattig. De overvloed spat er niet van af. De blijdschap van het geloof wordt dof. Het zingen wordt brommen, meer uit gewoonte dan vol overgave. Het dienen wordt meer plicht dan vreugde. Het is niet voor niets dat Paulus ons op het hart bindt: "Wordt vervuld met de Geest!"

Bijbelleessuggesties:

1 Corinthiers 12:31 - 13:8 (gaven zijn mooi, maar het gaat om de liefde)
Galaten 5:13-26 (bij God is het óf óf)
Efeziers 4:30; 1 Thessalonicenzen 5:19 (de Heilige Geest bedroeven of uitdoven)

Om over na te denken / gespreksvragen:

1. Beschouw ik mezelf als vervuld met de Geest? Waaraan merk ik dat?
2. Wat betekent Paulus' oproep in Efeziers 5:18 voor mij? Hoe reageer ik erop?
3. Hoe moet mijn houding zijn tegenover christenen die op mij niet de indruk maken vol van de Geest te zijn?
4. Wat heeft het verschil tussen een traditionele kerk en een evangelische gemeente wel of niet te maken met vol zijn van de Geest?