Toen ik drie jaar oud was, woonde het gezin waarin ik opgroeide een poosje in het grote oude huis van mijn grootouders. Het enige toilet was op de tweede verdieping.

Op een zaterdagmiddag (ik weet dat het zaterdag was omdat mijn vader thuis was), vond ik dat ik al zo'n grote jongen was dat ik wel naar de wc kon gaan zonder dat iemand mij daarbij hoefde te helpen. Dus liep ik de trap op, deed de deur van de badkamer achter mij dicht en op slot, en voelde me de daaropvolgende paar minuten erg onafhankelijk. Toen was het tijd om er weer uit te gaan. Ik kreeg het slot van de deur niet open. Ik probeerde het met alle kracht die ik als driejarig kind had, maar kreeg het niet voor elkaar. Ik raakte in paniek. "Misschien moet ik hier wel de rest van mijn leven blijven zitten, dacht ik, en voelde me weer een heel klein jongetje.

Mijn ouders – en waarschijnlijk ook de buren – hoorden mijn wanhoopskreet. "Is alles goed met je?, riep mijn moeder door de deur die ze van de buitenkant niet kon openen. "Ben je gevallen? Heb je je hoofd gestoten? "Ik kan de deur niet open krijgen, schreeuwde ik, "haal me hieruit!
Mijn vader racete de trap af, rende naar de garage, haalde een ladder, en zette die tegen de zijkant van het huis, net onder het badkamerraam. Met de kracht van een volwassen man wrikte hij het open, waarna hij mijn gevangenis binnenklom, langs mij heen liep en met diezelfde kracht het slot omdraaide en de deur opende. "Dank je wel, papa, zei ik – en rende naar buiten om te spelen.

Ik dacht dat het leven van een christen ook zo zou moeten werken. Wanneer ik vast kom te zitten in een beklemmende ruimte, zal ik alles doen wat ik kan om mijzelf te bevrijden. En als dat niet lukt, moet ik bidden. Dan zal God ten tonele verschijnen. Hij hoort mijn noodkreet – "Haal me hier uit, ik wil spelen!– en opent de deur naar de zegeningen die ik verlang.
Soms doet Hij dat ook inderdaad. Maar nu, niet langer drie jaar oud maar tegen de zestig lopend, realiseer ik me dat het christenleven zo niet werkt. En ik vraag mij af of er iemand onder ons is die tevreden is over God. Vinden wij Hem zelfs nog wel aardig wanneer Hij de deur niet opent die wij zo graag open willen hebben – wanneer een huwelijk niet hersteld wordt, wanneer opstandige kinderen nog steeds rebelleren, wanneer onze financiele situatie ons comfortabele leventje bedreigt, wanneer de dreiging van terrorisme opdoemt, wanneer onze gezondheid ondanks veel gebed achteruitgaat, wanneer de eenzaamheid groter wordt, wanneer de depressiviteit dieper wordt, wanneer onze bediening ophoudt te bestaan?

God is door het smalle raam mijn donkere kamer binnengeklommen. Maar Hij loopt niet langs mij heen om het slot om te draaien dat ik niet open kon krijgen. In plaats daarvan komt Hij naast mij op de badkamervloer zitten en zegt: "Kom maar bij Me zitten!Hij schijnt te denken dat de kamer binnenklimmen om bij mij te zijn belangrijker is dan mij eruit laten om te gaan spelen.

Ik zie het niet altijd zo. "Haal mij hieruit, schreeuw ik. "Als U van mij houdt, haal die deur dan van het slot!De keuze is aan ons. Of wij blijven Hem vragen om ons te geven wat wij denken dat ons gelukkig maakt – dat Hij ons uit die donkere kamer laat zodat wij naar de speeltuin met de zegeningen kunnen rennen – of wij aanvaarden zijn uitnodiging om bij Hem te komen zitten, al is het misschien op dit moment in de duisternis, en de kans te grijpen om Hem beter te leren kennen en Hem in deze moeilijke wereld op een goede manier te vertegenwoordigen.