God bewijst Zichzelf
- door charles colson
- gepubliceerd 17/11/2005
- toewijding aan God
-
beoordeling:




charles colson
Charles Wendell "Chuck" Colson (geboren in oktober, 1931) was de belangrijkste adviseur voor president Richard Nixon van 1969 tot 1973. Na zijn bekering wijdde hij zich aan zijn bediening in gevangenissen door middel van de organisatie die heet: 'Prison Fellowship'. Colson is ook een spreker in het openbaar en auteur. Colson is tevens voorzitter van het Wilberforce Forum, een christelijke politieke en sociale denktank en actiegroep die aktief is in het promoten van het creationisme in het onderwijs, in biotechnologie en bio-ethische kwesties, zoals het klonen van mensen en stamcel onderzoek.
bekijk alle artikelen van charles colsonGod bewijst Zichzelf.
"God moet wel heel machtig zijn, als ze zo bang van Hem zijn.
Zij was tien jaar oud, een levendig kind met dikke, speelse, bruine lokken die bijeengehouden werden door een dichtgeweven haarband. Haar donkere ogen waren gericht op iets achter de vuile ramen van het klaslokaal. Buiten dwarrelden uit een staalgrauwe lucht minuscule sneeuwvlokjes naar beneden, wat zelden voorkwam in de badplaats Odessa.
Irina Ratoesjinskaja wipte heen en weer achter haar houten schooltafeltje, terwijl zij het ene been over het andere sloeg. Ze kon haar ogen niet op de lerares gericht houden. Sneeuw in Odessa. Het was kostbaarder dan brood. Als je lang genoeg in de rij wachtte, kon je altijd wel een of twee oudbakken broden bemachtigen. Maar met sneeuw was het anders; de stalletjes van de marktkooplui en de rekken in de armzalige winkels zouden altijd dat betoverende missen, hoelang je ook wachtte.
Terwijl ze de sneeuwvlokken zag vallen, voelde Irina een beklemming. Nog even, en alles zou verdwenen zijn; het mysterieuze witte laagje zou wegsmelten en het alledaagse, bruine Odessa zou weer tevoorschijn komen.
Atheïsme
Het was tijd voor een les in atheïsme. Het bijwonen van die lessen was verplicht want in de Sovjet-Unie van Nikita Chroestsjov was het jonge intellect de beste verzekering voor de toekomst. Chroestsjov beschouwde onderwijs als het instrument dat uiteindelijk voor de ideologische overwinning van de Sovjet-Unie zou zorgen. Leraren die deel wilden uitmaken van die glorieuze toekomst moesten systematisch alle hardnekkige mythen uitroeien die, ondanks 46 jaar communistische indoctrinatie, nog steeds de kop opstaken.
Irina en haar klasgenootjes hadden al gehoord van een baptistenvrouw die haar kind in een oven had geroosterd. Het leek Irina onwaarschijnlijk. Tenslotte was 'tante' Vera, de concierge in het flatgebouw waar haar grootouders woonden, een baptist, en haar kinderen waren levend en wel. De leerlingen uit de bovenbouw hadden een toneelstuk opgevoerd waarin priesters als sukkels en dwazen werden afgeschilderd.
Iedereen leek wel tegen God te zijn: de Jonge Pioniers, de leraren, het schoolhoofd, de radio-omroepers, de hele Sovjet-Unie. Het leek haar niet eerlijk. Zelfs in spelletjes op het schoolplein mocht je niet met z'n allen samenspannen tegen één kind. Het was ook raar dat ze allemaal zo tekeer gingen tegen iemand die volgens hen niet eens bestond. Vandaag vroeg Irina zich af, zoals ze vaak deed, waarom de lerares eigenlijk zoveel moeite deed. "God bestaat niet,zei de onderwijzeres opnieuw. "Alleen domme, onwetende oude vrouwen geloven in hem.Zo verraden ze zichzelf toch?, dacht Irina. Grote mensen vertellen je dat spoken en geesten niet bestaan. Ze vertellen het een of twee keer, en daarmee is de kous af. Maar over God houden ze maar niet op. Dus moet Hij wel bestaan... en Hij moet wel heel machtig zijn, als ze zo bang van hem zijn. Met dit idee, waar geen twijfel over mogelijk was, dwaalden haar gedachten af naar wat op dat moment voor haar het belangrijkste was: de sneeuw.
Eerste gebed
"God, als U niet bestond, dan zouden we niet naar deze les hoeven te luisteren. Dus het is uw schuld dat we hier zitten in plaats van te spelen in de sneeuw. Als U zo machtig bent, zorgt U dan maar dat het blijft sneeuwen.Dat was Irina Ratoesjinskaja's eerste gebed. En witte sneeuwvlokken bleven drie dagen lang uit de grijze lucht van Odessa vallen. Het was de grootste sneeuwval die de stad in zestig jaar gekend had. De kinderen kregen vrij van school, en Irina en haar vrienden renden door de brede straten, gooiden sneeuwballen, en genoten van de verse sneeuwvlokken die zo zacht op hun gezichten vielen. Terwijl Irina de zachte, smeltende zoenen uit de hemel voelde, dacht zij na over deze God van wie het bestaan door haar lerares werd ontkend.
Vragen stellen
Zij begon in het geheim met God te praten, en ging vragen stellen. Was Hij vriendelijk? Als Hij niet vriendelijk is, dan wilde zij niets met hem te maken hebben, zelfs al is Hij almachtig. Maar als Hij vriendelijk, maar niet almachtig was, dan wilde zij ook niet van hem afhankelijk zijn. Waartoe diende nu een God die niet machtig was? En hoewel zij met God sprak, vond Irina het ongepast hem ergens om te vragen. Waarom zou Hij ons helpen, als wij hebben besloten dat wij wel zonder hem kunnen? "Eigenlijk is het enige waar ik me over beklaag dat ik niet weet wat Hij van me wil. Dat is niet mijn schuld. Alles is gegaan zoals het ging; ik heb mijn geboorteplaats niet uitgekozen...Op het moment dat ze dat dacht, leek er een antwoord van binnenuit haar te komen: Maak je geen zorgen. Je zult te weten komen wat je moet weten als de tijd er rijp voor is.
Deze manier van denken stelde Irina de daaropvolgende jaren wel tevreden. Zelfrespect
Toen ze veertien was, deed zich een ogenschijnlijk onbeduidende, maar doorslaggevende gebeurtenis voor: Een openbaring die doet denken aan Augustinus' bekende zielenstrijd om zijn kwajongensstreek: hij had peren gestolen uit de boom van de buurman.
Tegen het eind van een lange, saaie geschiedenisles, toen de lerares de leerlingen een paar minuten alleen liet, gooide een van Irina's klasgenootjes een kastanje door de klas. De grote noot kwam in een inktpot terecht die op de grond viel en voor een grote, zwarte inktvlek op de muur zorgde. De lerares merkte de opschudding en rende de klas binnen. "Wie brak de inktpot? schreeuwde zij.
Stilte
Het kruisverhoor ging iltedoor: elke leerling werd afzonderlijk ondervraagd. Toen Irina aan de beurt was, toverde zij een lief gehoorzaam gezicht tevoorschijn en begon vol geestdrift en tot in detail een verzonnen verhaal op te hangen: zij was iets aan het zoeken in haar schooltas die op de grond stond en had dus niets gezien.
Nadat Irina gehoord was, ging de ondervraagster door naar de volgende leerling, Serjosja, die haar recht aankeek en botweg zei: "Dat zeg ik niet.
Zijn voorbeeld stak Irina in haar geweten. Later op die avond, terwijl zij in het donker naar huis liep, dacht zij: Ik ben zo aan het worden als zij me willen hebben: Een lafbek zonder ruggengraat, zonder eergevoel, altijd gehoorzaam... iemand die een handig leugentje om bestwil als een heldendaad ziet... Geldt voor mij dat de middelen nu het doel heiligen?
Ik zal mijzelf nooit maar dan ook nooit meer zo vernederen, voor niemand, zwoer zij. Als ik ongehoorzaam moet zijn om mijn zelfrespect te houden, dan zal ik dat openlijk doen. Ik zal uit boeken leren hoe ik me behoorlijk moet gedragen, en ik zal ook meer over God denken en met hem spreken. Dan zal mijn ziel van mij blijven. Niemand zal mij naar zijn hand kunnen zetten.
Een bewuste keus
Vanaf dat moment wist Irina onbewust dat ze de ene óf de andere meester zou dienen, en zij maakte haar keus. Haar gedragscode week wel erg af van wat de communistische leraars van haar verlangden. Als ze snuffelde in de dikke Russische boeken in de boekenrekken van haar ouders - haar moeder doceerde literatuur - las ze over een enorme verscheidenheid aan situaties en tijdperken. De innerlijke gesteldheid en de omstandigheden van de mensen - toen en nu - hadden echter een treffende gelijkenis.
In de werken van Dostojevsky, Poesjkin, Toergenev en Tolstoi vond zij een beeld van de God van wie zij wist dat Hij vriendelijk en almachtig was. De waarden van goed en kwaad veranderden niet, maar leken op de een of andere manier in de zielen van mannen en vrouwen te zijn gegrift, ongeacht hun culturele achtergrond of opleiding.
Wanneer Irina over dat beeld van God nadacht en over zijn onzichtbare wetten in de menselijke natuur, die zij in zowel haar eigen geweten herkende als in de literatuur waar zij zo van hield, dan vroeg zij zich af hoe zij zou reageren op beproevingen waarmee zij in de toekomst geconfronteerd zou worden. Zou zij recht praten wat krom is, en de waarheid inruilen voor een leugen? In wat voor tijd zal ik straks leven? Wat voor opdrachten zullen mij gegeven worden?
Zij was tien jaar oud, een levendig kind met dikke, speelse, bruine lokken die bijeengehouden werden door een dichtgeweven haarband. Haar donkere ogen waren gericht op iets achter de vuile ramen van het klaslokaal. Buiten dwarrelden uit een staalgrauwe lucht minuscule sneeuwvlokjes naar beneden, wat zelden voorkwam in de badplaats Odessa.
Irina Ratoesjinskaja wipte heen en weer achter haar houten schooltafeltje, terwijl zij het ene been over het andere sloeg. Ze kon haar ogen niet op de lerares gericht houden. Sneeuw in Odessa. Het was kostbaarder dan brood. Als je lang genoeg in de rij wachtte, kon je altijd wel een of twee oudbakken broden bemachtigen. Maar met sneeuw was het anders; de stalletjes van de marktkooplui en de rekken in de armzalige winkels zouden altijd dat betoverende missen, hoelang je ook wachtte.
Terwijl ze de sneeuwvlokken zag vallen, voelde Irina een beklemming. Nog even, en alles zou verdwenen zijn; het mysterieuze witte laagje zou wegsmelten en het alledaagse, bruine Odessa zou weer tevoorschijn komen.
Atheïsme
Het was tijd voor een les in atheïsme. Het bijwonen van die lessen was verplicht want in de Sovjet-Unie van Nikita Chroestsjov was het jonge intellect de beste verzekering voor de toekomst. Chroestsjov beschouwde onderwijs als het instrument dat uiteindelijk voor de ideologische overwinning van de Sovjet-Unie zou zorgen. Leraren die deel wilden uitmaken van die glorieuze toekomst moesten systematisch alle hardnekkige mythen uitroeien die, ondanks 46 jaar communistische indoctrinatie, nog steeds de kop opstaken.
Irina en haar klasgenootjes hadden al gehoord van een baptistenvrouw die haar kind in een oven had geroosterd. Het leek Irina onwaarschijnlijk. Tenslotte was 'tante' Vera, de concierge in het flatgebouw waar haar grootouders woonden, een baptist, en haar kinderen waren levend en wel. De leerlingen uit de bovenbouw hadden een toneelstuk opgevoerd waarin priesters als sukkels en dwazen werden afgeschilderd.
Iedereen leek wel tegen God te zijn: de Jonge Pioniers, de leraren, het schoolhoofd, de radio-omroepers, de hele Sovjet-Unie. Het leek haar niet eerlijk. Zelfs in spelletjes op het schoolplein mocht je niet met z'n allen samenspannen tegen één kind. Het was ook raar dat ze allemaal zo tekeer gingen tegen iemand die volgens hen niet eens bestond. Vandaag vroeg Irina zich af, zoals ze vaak deed, waarom de lerares eigenlijk zoveel moeite deed. "God bestaat niet,zei de onderwijzeres opnieuw. "Alleen domme, onwetende oude vrouwen geloven in hem.Zo verraden ze zichzelf toch?, dacht Irina. Grote mensen vertellen je dat spoken en geesten niet bestaan. Ze vertellen het een of twee keer, en daarmee is de kous af. Maar over God houden ze maar niet op. Dus moet Hij wel bestaan... en Hij moet wel heel machtig zijn, als ze zo bang van hem zijn. Met dit idee, waar geen twijfel over mogelijk was, dwaalden haar gedachten af naar wat op dat moment voor haar het belangrijkste was: de sneeuw.
Eerste gebed
"God, als U niet bestond, dan zouden we niet naar deze les hoeven te luisteren. Dus het is uw schuld dat we hier zitten in plaats van te spelen in de sneeuw. Als U zo machtig bent, zorgt U dan maar dat het blijft sneeuwen.Dat was Irina Ratoesjinskaja's eerste gebed. En witte sneeuwvlokken bleven drie dagen lang uit de grijze lucht van Odessa vallen. Het was de grootste sneeuwval die de stad in zestig jaar gekend had. De kinderen kregen vrij van school, en Irina en haar vrienden renden door de brede straten, gooiden sneeuwballen, en genoten van de verse sneeuwvlokken die zo zacht op hun gezichten vielen. Terwijl Irina de zachte, smeltende zoenen uit de hemel voelde, dacht zij na over deze God van wie het bestaan door haar lerares werd ontkend.
Vragen stellen
Zij begon in het geheim met God te praten, en ging vragen stellen. Was Hij vriendelijk? Als Hij niet vriendelijk is, dan wilde zij niets met hem te maken hebben, zelfs al is Hij almachtig. Maar als Hij vriendelijk, maar niet almachtig was, dan wilde zij ook niet van hem afhankelijk zijn. Waartoe diende nu een God die niet machtig was? En hoewel zij met God sprak, vond Irina het ongepast hem ergens om te vragen. Waarom zou Hij ons helpen, als wij hebben besloten dat wij wel zonder hem kunnen? "Eigenlijk is het enige waar ik me over beklaag dat ik niet weet wat Hij van me wil. Dat is niet mijn schuld. Alles is gegaan zoals het ging; ik heb mijn geboorteplaats niet uitgekozen...Op het moment dat ze dat dacht, leek er een antwoord van binnenuit haar te komen: Maak je geen zorgen. Je zult te weten komen wat je moet weten als de tijd er rijp voor is.
Deze manier van denken stelde Irina de daaropvolgende jaren wel tevreden. Zelfrespect
Toen ze veertien was, deed zich een ogenschijnlijk onbeduidende, maar doorslaggevende gebeurtenis voor: Een openbaring die doet denken aan Augustinus' bekende zielenstrijd om zijn kwajongensstreek: hij had peren gestolen uit de boom van de buurman.
Tegen het eind van een lange, saaie geschiedenisles, toen de lerares de leerlingen een paar minuten alleen liet, gooide een van Irina's klasgenootjes een kastanje door de klas. De grote noot kwam in een inktpot terecht die op de grond viel en voor een grote, zwarte inktvlek op de muur zorgde. De lerares merkte de opschudding en rende de klas binnen. "Wie brak de inktpot? schreeuwde zij.
Stilte
Het kruisverhoor ging iltedoor: elke leerling werd afzonderlijk ondervraagd. Toen Irina aan de beurt was, toverde zij een lief gehoorzaam gezicht tevoorschijn en begon vol geestdrift en tot in detail een verzonnen verhaal op te hangen: zij was iets aan het zoeken in haar schooltas die op de grond stond en had dus niets gezien.
Nadat Irina gehoord was, ging de ondervraagster door naar de volgende leerling, Serjosja, die haar recht aankeek en botweg zei: "Dat zeg ik niet.
Zijn voorbeeld stak Irina in haar geweten. Later op die avond, terwijl zij in het donker naar huis liep, dacht zij: Ik ben zo aan het worden als zij me willen hebben: Een lafbek zonder ruggengraat, zonder eergevoel, altijd gehoorzaam... iemand die een handig leugentje om bestwil als een heldendaad ziet... Geldt voor mij dat de middelen nu het doel heiligen?
Ik zal mijzelf nooit maar dan ook nooit meer zo vernederen, voor niemand, zwoer zij. Als ik ongehoorzaam moet zijn om mijn zelfrespect te houden, dan zal ik dat openlijk doen. Ik zal uit boeken leren hoe ik me behoorlijk moet gedragen, en ik zal ook meer over God denken en met hem spreken. Dan zal mijn ziel van mij blijven. Niemand zal mij naar zijn hand kunnen zetten.
Een bewuste keus
Vanaf dat moment wist Irina onbewust dat ze de ene óf de andere meester zou dienen, en zij maakte haar keus. Haar gedragscode week wel erg af van wat de communistische leraars van haar verlangden. Als ze snuffelde in de dikke Russische boeken in de boekenrekken van haar ouders - haar moeder doceerde literatuur - las ze over een enorme verscheidenheid aan situaties en tijdperken. De innerlijke gesteldheid en de omstandigheden van de mensen - toen en nu - hadden echter een treffende gelijkenis.
In de werken van Dostojevsky, Poesjkin, Toergenev en Tolstoi vond zij een beeld van de God van wie zij wist dat Hij vriendelijk en almachtig was. De waarden van goed en kwaad veranderden niet, maar leken op de een of andere manier in de zielen van mannen en vrouwen te zijn gegrift, ongeacht hun culturele achtergrond of opleiding.
Wanneer Irina over dat beeld van God nadacht en over zijn onzichtbare wetten in de menselijke natuur, die zij in zowel haar eigen geweten herkende als in de literatuur waar zij zo van hield, dan vroeg zij zich af hoe zij zou reageren op beproevingen waarmee zij in de toekomst geconfronteerd zou worden. Zou zij recht praten wat krom is, en de waarheid inruilen voor een leugen? In wat voor tijd zal ik straks leven? Wat voor opdrachten zullen mij gegeven worden?
Reacties
Reactie #1 (Geplaatst door een onbekende gebruiker)
beoordeling:








Alleen de titel al...Wij hoeven niet zo nodig God te bewijzen of te verdedigen. God is Mans genoeg om voor Zichzelf op te komen. Als we Zijn Grootheid proclameren, zal Hij openbaar worden.