God blijft jou roepen, wat je ook hebt uitgestukt in je leven.
Wij moeten niet afschrijven die zich lieten uitschrijven'.
Jezus koos de afvallige Levi de Tollenaar tot zijn discipel
Levi zat met zijn tolhuis als een spin in het web te wachten op zijn prooi. Het tolhuis stond in Kapernaum. Door Kapernaum liep de Via Maris, de eeuwenoude handelsroute langs de zee, die Afrika en Azie met elkaar verbond. En telkens als er een koopman kwam, dan was het: "mag ik effe vangen".
Levi was een tollenaar in dienst van de viervorst Herodes Antipas, die het gebied van Galilea beheerde. Een tollenaar is een soort belastinginspecteur. Dat is niet wat je noemt gaaf werk, want niemand vindt het leuk om belasting te betalen. Daarom verpachtte Herodes Antipas de belasting die hij wilde vangen aan een tollenaar. De tollenaar moest dus een groot deel van het geld dat hij ontving aan import- en exportbelasting afdragen, maar hij deed daar zelf nog een flinke schep bovenop. Omdat de tollenaars soms de gekste tarieven rekenden, waren ze totaal niet geliefd bij de bevolking.
Volg Mij
De Heer Jezus was regelmatig in Kapernaum, aan de bovenkant van het Meer van Galilea.
De Heiland was vaak aan het meer te vinden. De oever van het meer was namelijk een gunstige plek om te evangeliseren. Het was er vlak en rustig. Wanneer Jezus tot de mensen sprak, stond Hij blijkbaar niet stil, maar wandelde met de mensen die Hem omringden langs het meer. Zo liep Jezus op een dag langs het tolhuis van Levi: 'En voorbijgaande zag Jezus Levi, de zoon van Alfeus bij het tolhuis zitten en Hij zeide tot hem: Volg Mij. Levi stond op en volgde Hem.
Jezus moet hem gekend hebben. Jezus wist wie zijn vader is. Misschien kende iedereen elkaar wel in Kapernaum. Mogelijk had Jezus in de synagoge wel eens met Alfeus gepraat. Je weet wel hoe dat gaat:
Jezus: 'Hebt u kinderen'?
Alfeus: 'Ja, twee dochters en een zoon. Alle drie getrouwd.'
Jezus: ' Zijn ze gelovig'?
Alfeus: 'Ja, mijn dochters wel, maar mijn zoon. Ach, u kent mijn zoon wel, Levi, van het tolhuis.'
Jezus: 'Oh, is dat een zoon van u?'
Alfeus: 'Ja, nou die doet nergens meer aan. Maar vindt u het gek meneer, hier in de synagoge had hij geen vrienden. Hij voelde zich niet thuis, ik weet niet wat dat was; en nu staat hij overal buiten. Er is niemand die hem groet. Hij is een heel andere kant uitgegaan.'
De Bijbel vertelt ons lang niet alles. Wij weten niet goed wat er aan vooraf is gegaan. Kende Jezus Levi? Hebben ze wel eens met elkaar gesproken? Kwam Jezus bij hem thuis? Dat weten we niet. Maar wat de Bijbel wel vertelt; daar gaat het blijkbaar om. Dat is het beslissende. Wat is dat beslissende dan? Wat gebeurt er hier nu eigenlijk?
Visie op evangelisatie
Jezus roept Levi bij zich. Het is net alsof er niets aan vooraf is gegaan. Geen belangstelling van Levi. Geen gesprekken. Alleen die korte oproep: Volg Mij. Toch gaat er een wereld van gedachten en inzichten schuil achter deze korte en krachtige oproep. Een visie op evangelisatie.
Levi is een Jood. Hij is genoemd naar die stam in Israel, die in de tempel werkte. De Levieten waren in dienst van God gekomen bij de tempel en zij verrichtten die dienst voor heel Israel. De priesters kwamen uit de stam Levi. Mozes was een Leviet. Aäron was een Leviet. Eén stam uit de twaalf stammen was toegewijd aan God.
Levi is dus afkomstig uit het volk van God en is waarschijnlijk besneden op de achtste dag van zijn leven en door zijn ouders voorbestemd om een dienaar te worden van de Allerhoogste. Maar vervreemd van God, weigerde hij die dienst en ging zijn eigen weg, weg van God, weg van zijn volk. Hij had vrienden die niet naar de synagoge gingen. Collega's die niet uit het Joodse volk afkomstig waren.
Kerk losgelaten
Zoals Levi zo zijn er in Nederland, ik denk in Ede, waar ik predikant ben, alleen al duizenden mensen. Zij hadden gelovige ouders. Ze zijn opgegroeid in de kerk. Hebben catechisatie gehad en hebben christelijk onderwijs gevolgd. Velen van hen hebben zelfs nog belijdenis gedaan.
Je herkent sommigen nog aan hun christelijke namen: David, Daniel, Johannes, Marc, Debora, Esther. Maar ze doen helemaal nergens meer aan. Hoe komt dat? Ach ieder heeft z'n eigen verhaal. De een heeft verkering gehad in de kerk en dat liep sneu af. De ander heeft een akkefietje gehad. Bij weer een ander hebben de ouders de kerk losgelaten, met als gevolg dat de kinderen ook niet meer naar de kerk toegaan. Hoe zien wij die mensen? Hoe ziet God ze?
Jezus roept Levi. Levi, jij hoort er ook bij. Jij hoort bij mij, want jij hoort bij God. Jezus laat hiermee zien dat Hij op zoek is naar de verloren schapen van het huis Israel. Jezus is de goede Herder. De Here God had een grote kudde. Maar er zijn veel schapen weggedwaald. Die schapen heeft Hij verloren. Net zoals iemand een portemonnee of een fiets kan verliezen. Maar als die persoon in een fietsenzaak komt om een tweedehands fiets te kopen en hij ziet zijn daar zijn eigen fiets staan, wat zegt hij dan?: Hé, dat is mijn fiets. Ik was hem verloren, maar ik heb hem nu weer terug. Levi, zegt Jezus, Ik was jou verloren, maar nu heb ik je weer terug. Jij hoort bij de Here God.
pagina 2
Eigendom
In Lucas 15 vertelt Jezus drie gelijkenissen over het verloren schaap, over de verloren penning en de verloren zoon. Waarom zoekt die herder dat schaap? Waarom zoekt die vrouw die penning? Waarom zoekt die vader die zoon? Omdat die van hem is. Het is zijn eigendom. God zoekt het verlorene.
Dat is dan ook volgens mij de verklaring van dat onverhoedse, dat plotselinge: volg mij. Die man heeft een voorgeschiedenis. Hij hoort tot het volk van God. Hij is Gods eigendom.
Hoe ziet God de Nederlanders, die miljoenen afstammelingen van een christelijk volk en voor een groot deel christelijk groot gebracht, maar zich hebben teruggetrokken? Voor onze God zijn en blijven het Zijn kinderen. Misschien soms wel verloren eigendom, maar toch eigendom. Dat is niet weg op het moment dat zo'n kind/volwassenen afhaakt. Nee, dan ken je onze God niet goed. Zijn liefde en zorg gaat naar hen uit, zoals de liefde van een vader en moeder uitgaat naar hun kinderen, en zoals iemand maar kan zoeken naar iets wat hij is kwijtgeraakt.
Het is opmerkelijk dat onze vriend Levi, Jezus bij hem thuis uitnodigt en dat ook veel van z'n vrienden er zijn. Toen Jezus aan het eten was in zijn huis, waren er veel tollenaars en zondaars die mee-aten oftewel – want zo ging dat in die tijd - mee aanlagen aan tafel. Want staat er: ze zijn talrijk en volgen Hem. De manier waarop Jezus Levi benadert, werkt blijkbaar geweldig bevrijdend. Levi is er blij mee. En zijn vrienden ook. De schriftgeleerden van de Farizeeen kijken daar heel anders tegenaan. Die zeggen opgestaan, plaats vergaan. Hun visie is blijkbaar dat de tollenaars en de zondaars van Joodse huize er niet meer bij hoorden op het moment dat ze afhaakten. Maar voor Jezus is de synagoge wijder en breder: zij horen er nog steeds helemaal bij.
Breder en wijder
Hier ligt een heel wezenlijk verschil in visie. Hoe is uw visie en hoe is de mijne? Hoe kijken wij tegen mensen aan die God en de kerk de rug hebben toegekeerd? Zeggen wij: wie daar buiten staat, hoort daar niet meer bij?, of zeggen wij: Nee, de kerk is, als het erop aankomt, veel breder en wijder. Eigenlijk is onze kerk nog veel groter, want er zijn nog veel meer mensen die er bijhoren, maar er niet bij zijn. Al die Davidten, Daniels, Mirjams, Martha's, Thera's, Maria's en al die andere mensen met niet-christelijke namen, maar die wel uit een gelovige familie komen, die horen er bij. Uw getrouwde dochter, die niet meer naar de kerk gaat en die twee kleinkinderen van u die nergens meer aan doen en die collega's die vroeger wel gingen, en die buren die afgehaakt hebben, die horen er allemaal bij. Wij moeten niet afschrijven, die zich lieten uitschrijven.
Hoe verrassend is hun blijdschap en hun enthousiasme. Hebt u wel eens een buitenkerkelijke meegemaakt die enthousiast wordt als iemand vanuit de kerk hem aanspreekt? Als dat zo was, zouden we veel vaker van ons geloof getuigen. Ja, want dat is leuk als de ander enthousiast reageert. Dat moedigt je aan om vooral verder te gaan. Hoe zou dat komen dat wij – en nu spreek ik ook voor mezelf – zo moeilijk doen? Zou het ook hieraan kunnen liggen dat wij, zonder dat we ons daarvan bewust zijn, een farizeïstische visie hebben op evangelisatie? Die visie die zegt: wie bij de kerk hoort die hoort bij God en wie niet bij de kerk hoort, hoort niet bij God? Jezus is het daar helemaal niet mee eens. Integendeel.
Diep in hun hart
Hoe verrassend is de blijdschap van Levi. Blijkbaar zitten mensen buiten de kerk lang niet altijd zo lekker in hun vel. Blijkbaar verlangen ze diep in hun hart nog wel eens terug naar God, maar hebben ze het gevoel dat dat niet zomaar kan. Ze vragen zich af of God hen nog wel moet. Ligt daar niet de bron van hun enthousiasme? Dat komt voort dat Jezus die mensen roept. Dat hadden ze blijkbaar niet meer verwacht. Dat Jezus verder gaat, waar zij nu zijn. Hij roept hen en Hij blijft voor hen kiezen: dat is de roeping van Gods genade. Gods roeping en zijn genadegaven zijn onberouwelijk, zegt Paulus in Romeinen 11:29. Dat wil zeggen: eens gegeven blijft gegeven. En in Romeinen 3:3 zegt diezelfde Paulus: Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal hun ontrouw de trouw van God tenietdoen? Volstrekt niet! God neemt de roeping nooit terug. In de roeping van God is alles gelegen; al Zijn beloften, al het geloof. Wat de Here ons ook maar kan en wil geven, begint met roeping. En als we daaraan gehoor geven, dan komen al die beloften naar ons toe. Of, zoals Jezus het zelf zegt: Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.
Godsgeschenk
Die Levi heeft ook zijn naam veranderd. Hij noemt zichzelf later Mattheus. Mattheus, is niet alleen een volgeling van Jezus geworden, maar heeft het zelfs tot discipel geschopt en is een van de schrijvers van een evangelie: het Mattheus-evangelie. En in dat Evangelie beschrijft hij ook de roeping van Levi, maar hij heeft het steevast over Mattheus. En die naam heeft een betekenis, namelijk: Godsgeschenk. Hij voelt zich een geschenk van God. Hij moet eerder gedacht hebben: het is afgelopen met mij. God wil niks meer met mij te maken hebben. Ik ben niet alleen uitgeschreven; ik ben ook afgeschreven. Maar dan komt Jezus en gaat met hem verder. Er was nog ontzettend veel te doen en te veranderen en te bekeren bij Mattheus, maar omdat Jezus hem riep kon dat ook. Jezus riep hem vanuit de genade en de kracht van God. Door de genade van Jezus kon hij verder groeien als kind van God.
In de Bijbel zijn er veel van die buitenkerkelijken die als het ware een tweede roeping kregen.
Mensen aan wie God te kennen gaf dat hij de oorspronkelijke roeping nooit had laten vallen. Voorbeelden genoeg en dan nog niet eens de minsten. Denk maar aan Mozes. Die dacht dat het helemaal met hem gedaan was toen hij in Midian was. Het was over en uit, dacht hij. Maar God riep hem opnieuw. Denk aan Jefta (Richteren 11:1-3), door zijn broertjes uitgestoten, maar God riep hem opnieuw en hij werd een richter van Israel. Denk aan Paulus, iemand die meende het volk van God te vertegenwoordigen maar die zich door z'n doen en laten er buiten plaatste; maar door Christus zelf opnieuw geroepen werd.