Op het donker glanzende meer van Tiberias dobbert een vissersboot. Rusteloos klotst het water tegen de boeg. De netten hangen in het water. In de boot zitten zeven mannen. Zeven discipelen van de Here Jezus.

Het plan kwam natuurlijk van Petrus. Hij liep er al dagen mee rond. Meteen toen hij het meer weer zag, kwam dat verlangen bij hem boven. Maar hij had niet de moed het uit te voeren. Ze waren hier ten slotte om de Here opnieuw te ontmoeten. Dat had Hij hun beloofd: "Ga naar Galilea en daar zal ik u zien.Maar wachten duurt lang. En Hij zal toch zeker niet 's nachts komen? Ze konden toch best eens een nacht gaan vissen? Al was het alleen maar om de gedachten eens te verzetten. En morgenochtend waren ze weer terug om op hem te wachten. Ineens had Petrus het er uitgegooid: "Ik ga vissen.Het scheen dat de anderen al net zover waren gekomen. Ze gingen spontaan mee.

De spanning is meteen gebroken. Het is heerlijk op het water. Die ruimte rondom is een weldaad. Heel wat anders dan die bedompte stad Jeruzalem. Geboeid kijken Thomas en Natanael hoe ervaren vissers als Petrus, Johannes en Jakobus de netten uitwerpen. Zoiets verleer je niet in drie jaar. Ze zijn benieuwd hoe groot de vangst zal zijn. Maar dat valt tegen. Als de netten worden binnengehaald, zit er niets in. Dan maar weer opnieuw proberen. Op een andere plek. Maar hoe ze ook hun best doen, ze vangen die nacht niets. Tegen de ochtend geven ze het op. Ze halen de netten binnen en roeien rustig naar de kant. Vreemd, een hele nacht vissen en niets vangen. Ongetwijfeld zal Petrus hebben teruggedacht aan die andere nacht. Nu meer dan drie jaar geleden. Toen ving hij ook niets. Moe en een beetje geergerd voer hij toen terug en troostte zich met de gedachte van een paar uur slaap. Maar dat pakte toen heel anders uit. Toen hij aan de kant kwam, stond daar een massa mensen. Ze luisterden naar de Here Jezus, die hij toen nog amper kende. Het was er zo druk en ze drongen zo op, dat ze hem in het water dreigden te duwen. Toen vroeg de Here hem of Hij in zijn boot mocht zitten. Om van daaruit de mensen toe te spreken. Met gemengde gevoelens stemde hij toe. Die rabbi moest niet vergeten dat hij de hele nacht had gewerkt en moe was.
En wie weet hoe lang zo'n toespraak kon duren.

Naarmate de tijd verstreek, nam zijn ergernis toe. Maar toen Hij eindelijk stopte kwam het ergste. Hij droeg hem nota bene op zijn netten uit te zetten in diep water. Vissen midden op de dag! Terwijl ze die hele nacht niets hadden gevangen! En dat moest een timmerman een visser vertellen. Hij herinnert zich nog hoe hij met een zeker leedvermaak weer het meer op ging. Hij zette zijn netten uit en wilde ze triomfantelijk weer binnen halen. Maar dat lukte niet. De netten waren zo vol, dat hij ze niet aan boord kon krijgen. Alsof Hij de vissen had bevolen in zijn net te zwemmen. Hij moest de hulp van anderen inroepen om de vis in de boot te krijgen. Ze hadden twee boten boordevol.

Dat was het begin. Toen begreep hij, dat als Hij dwars door het meer keek, Hij ook dwars door hem keek. Dan had Hij ook zijn ergernis gezien! Ontsteld knielde hij aan zijn voeten en zei: "Here, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.Maar de Here Jezus stelde hem gerust met de woorden: "Wees niet bevreesd, Simon, van nu aan zul je mensen vangen.Dat greep hem aan. Geen vissen vangen, maar mensen. Een visser van mensen worden. Hij zag het toen zo levend voor zich. Een prediker in het Koninkrijk Gods. Om mensen te vangen voor God en zijn rijk. Dat ging al het andere te boven. Resoluut liet hij zijn schip op het strand lopen en ging met hem mee.

Een harde les Nu waren ze drie jaar verder. Wat was er veel gebeurd in die drie jaar. Maar wat was er eigenlijk ook weinig gebeurd. Hij had het gevoel dat hij na die drie jaar nog net zover was. De herinnering aan zijn verloochening lag hem nog vers in het geheugen. En toch! Was het misschien nodig dat het zover kwam? Had hij niet altijd veel te hoog van de toren geblazen?

Het was een harde les geweest. Maar wel goed. En hoe mild was de Heiland geweest. Eerst al in het huis van de hogepriester, waar Hij zich omkeerde en hem aankeek. Die blik vergeet hij nooit meer. En na de opstanding. Persoonlijk was Hij toen aan hem verschenen. Onder vier ogen. Wat toen is gezegd, was voor hem alleen bestemd. Hij had de anderen over die ontmoeting verteld. Maar nooit zou hij vertellen wat daar is gezegd. Dat was voor hem alleen. Dat was te kostbaar om prijs te geven.

Stil zit Petrus tegen de rand van de boot geleund. Genietend van die kostbare herinnering. Hij merkt niet dat ze het strand al tot op honderd meter zijn genaderd. Hij ziet ook niet dat in alle vroegte al Iemand op de oever staat. Hij wordt uit zijn mijmeringen opgeschrikt als hij Iemand hoort roepen: "Kinderen hebben jullie ook wat vis?Vis? Het is niet prettig daaraan te worden herinnerd. En kort antwoorden ze: "Nee.Maar daarmee zijn ze niet van hem af, want Hij roept: "Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden.Hebben ze misschien gedacht dat Hij van de kant af een school vis zag?

Of was het zijn gezag, dat hen ertoe bracht de netten opnieuw uit te zetten? In elk geval merken ze hoe het net zwaarder wordt. Al gauw kunnen ze het niet meer trekken.
Het is weer Johannes die als eerste de situatie doorziet. Hij stoot Petrus aan, wijst naar die Vreemdeling op de kant en zegt: "Het is de Heer.Als Petrus dat ziet, bedenkt hij zich geen moment. Het duurt hem veel te lang om te wachten tot de boot aan de kant is. Hij doet zijn opperkleed aan en springt in het water. Hij wil bij de Here zijn, zo snel mogelijk. Hij waadt door het ondiepe water en even later staat hij voor zijn meester. Verlangend en onwennig tegelijk. Hij voelt zich opgelucht als even later de anderen op het strand komen.

Verbaasd kijken ze naar het kolenvuur dat daar brandt. Er ligt al vis op en brood is er ook bij. Hij heeft zelf dus al voor alles gezorgd. Toch vraagt Hij: "Haal ook van de vissen, die jullie gevangen hebben.Voor Simon Petrus een welkome gelegenheid om even weg te kunnen. Hij gaat aan boord en sleept in zijn eentje het net met vissen aan wal.